Er was eens, zo’n honderd jaar geleden in een stad hier niet ver vandaan, een jongentje die Johannes heette.

Zijn vader was dokter en hoorde bij de notabelen van de stad, net zoals de vaders van zijn vriendjes die advocaat waren, of notaris. De mensen uit de stad keken erg tegen zijn vader op. Door zijn vader voelden de mensen zich weer beter. Zijn vader hielp mensen. Zijn vader deed er toe.

Omdat Johannes een intelligente jongen was, was iedereen overtuigd dat hij later ook dokter zou worden.

Op een dag las Johannes een boek met verhalen over de oude Romeinen. Het Romeinse Rijk dat over een groot deel van Europa had geheerst en dat duizenden kilometers afgelegd had om al die landen te veroveren. Het legioen zorgde voor infrastructuur zodat duizenden manschappen zich via wegen en bruggen konden verspreiden. Al die voeten die over de straatstenen marcheerden en stap voor stap verder kwamen. Hij zag het voor zich en het fascineerde hem enorm.

Johannes vroeg zich af wat er allemaal bij kwam kijken om wegen aan te leggen die al tweeduizend jaar oud waren. Dat ging niet alleen maar over stenen leggen, het was nog zoveel meer. Het ging ook over een goede ondergrond, over waterafvoer, over uitmeten. De bruggen en wegen bepaalden het aanzicht in de steden. Deze mannen waren de architecten van de buitenruimte. Zonder hen was het Romeinse Rijk nooit zover gekomen. Dat wilde Johannes ook.

Johannes speelde graag buiten, en toen hij aan zijn vriendjes vertelde wat hij later wilde worden, lachten zij hem allemaal uit. Zij wilden studeren, net als hun vaders. Veel geld verdienen en aanzien krijgen van de mensen uit de stad. Ze plaagden Johannes en vonden hem maar gek. Als hij stratenmaker zou worden, wilden ze zijn vriendjes niet meer zijn. Verdrietig en teleurgesteld ging Johannes naar huis. Thuis vertelde hij aan zijn moeder wat er gebeurd was. “Maar jij bent toch een slimme jongen?”, zei zijn moeder. “Jij gaat toch ook medicijnen studeren, net als je vader?”

Jaren gingen voorbij en Johannes pakte iedere avond voor het slapen gaan zijn boek over de Romeinen. Dit was zijn echte droom. Dit was wat hij wilde, maar hij mocht niet. Hij moest dokter worden.

Op een dag, toen Johannes naar school liep, waren er wegwerkzaamheden. Drie mannen zaten op hun knieën in het zand. Johannes keek aandachtig hoe de mannen de stenen uiterst precies, strak tegen elkaar in het gladgestreken zand legden. Johannes liep naar één van de mannen en vroeg: “Mag ik ook eens?” De stratenmaker keek hem een beetje verbaasd aan, en zei: “Zo dit meneertje wil ook eens weten wat echt werken is?” Johannes knielde naast hem neer en legde de stenen één voor één op hun plaats. Met open mond keken de stratenmakers naar de handelingen van Johannes. Hij was een natuurtalent en voordat de mannen het in de gaten hadden, had Johannes een paar vierkante meter straat gelegd.

Sprookje

Weken lang hielp Johannes de statenmakers nadat hij uit school was. Hij vond het geweldig, en was blij dat hij eindelijk kon doen wat hij zo graag wilde. Totdat hij in de gaten had dat zijn vader, die op weg was naar een patiënt, hem daar bezig zag. Johannes schrok en keek zijn vader afwachtend aan.

Hij zag dat zijn vader naar hem toe kwam lopen, en bereidde zich voor op een uitbrander. Zijn vader haalde diep adem en zei: ”Als dit is wat jij echt graag doet, dan moet je daar voor gaan, jongen.”

Jaren later werd het land bezet door de Duitsers. Het was oorlog. Er ging veel kapot en na de bevrijding moesten huizen opnieuw gebouwd worden, en infrastructuur opnieuw worden aangelegd. Als ervaren stratenmaker was Johannes een belangrijk onderdeel van de wederopbouw. Vrachtwagens konden weer rijden, er kwamen meer bussen en auto’s in Nederland. De economie kwam weer op gang en het land krabbelde overeind. Johannes was trots. Hij deed er toe, net zoals zijn vader vroeger, maar dan anders.

Toen Johannes oud was en van zijn pensioen genoot, liep hij op een dag hand in hand met zijn kleinzoon over de straten die hij zelf nog had aangelegd. Niet zomaar stenen, maar bestrating met een goede ondergrond, perfect uitgemeten, met waterafvoer en nog steeds strak tegen elkaar. Ondanks de beperkte middelen van toen.

Uit zijn binnenzak pakte hij een oude foto en zei: “Kijk jongen, precies op deze plek zaten we op onze knieën in het zand, netjes aangekleed als trotse vakmensen.”

Nu is zijn kleinzoon volwassen en eigenaar van een stratenmakersbedrijf. Trots kijkt hij in de camera als hij met zijn collega’s zijn vak uitoefent. Met moderne machines, maar ook nog steeds met de hamer, als vakman, als architect van de buitenruimte. Door hem en zijn collega’s zien de dorpen en steden er netjes uit. Door hem kunnen de mensen zich veilig en gemakkelijk verplaatsen. Hij helpt mensen. Hij doet er toe.

En zo gaat het verhaal van de stratenmakers nog eeuwen door en leven zij nog lang en gelukkig.

Sprookje